PAK Gistel - Platform voor Beeldende Kunst Ga naar de inhoud

Een pakkend beeld: de boom met het doorkijkhartje — Albert Verleyen

Bertulf had het moeten weten: de stad Gistel is een schoonheid rijker, ook rijker aan ziende ogen dan ooit. Met het de broosheid gewijde evenement “Birth” gaf het PAK aldaar zich alvast één zaterdagavond in augustus uit voor “l’origine du monde”, gegeseld door de motregen, gezalfd door een warm, maar onzorgvuldig schijnend zonnetje. De komende maand september zet het PAK, na telefonische afspraak, de tuin- en andere deuren open.

Of Courbet zijn confronterende begin zou hebben herkend in de fotografische, kleurrijk weergegeven naakte nimfen van Thom Puckey en Stine Sampers, die aan het begin van de rondgang kundig met elkaar worden geconfronteerd, valt vrijwel uit te sluiten. Daarvoor is het jachtwapen bij de ene, de poëtische pose bij de andere wellicht te nadrukkelijk aanwezig. Of dienen we te nuanceren? Stine Sampers speelt het voorzichtig lyrisch uit, op klein formaat. Als een wicht lijkt het model zich voor zichzelf te schamen. Als een Venus bezet zij de ruimte. Naast deze meisjesachtige foto hangt, van dezelfde hand, een afprint die ontstolen lijkt aan een laatste restje inlands woud, het menselijke voorbij. Aanwezigheid in het ene, afwezigheid in het andere beeld strijden met elkaar, zij het gevat in dezelfde stilte, dienstig aan het beschouwende oog.

Dat naast deze laatste twee fotokaders het door Jan Deconynck geschilderde portret van de fotografe een stek vond, heeft meer dan een anekdotische waarde. Dat daarmee nadrukkelijk de vraag naar de authenticiteit van fotografie versus schilderkunst wordt opgeworpen is evident. De “Grote Beer” van de Nederlandse Suzanne Somer, in de andere kamer van het gebouw, voegt op dit vlak nog een dimensie toe. Met haar “trouvée” tracht zij het beeld te laten spreken. Op de bovengenoemde foto duikt het sterrenbeeld slechts heel eventjes op. Het gaat schuil schuins achter de immense maan en een piepkleine arme mensenziel die de Boschangst, met het in beide handen verpakte aangezicht, bezweert. Deze op de eerste plaats door de menselijke ingewanden geïnspireerde tekenares laat daarmee ook de buitenkant, de buitenwereld, zelfs de enorme ruimte zien. Met de in tekening omgezette menselijke organen legt zij als een Griekse priesteres ons aller ultieme toekomst bloot. De gerecupereerde foto naakt de daaraan gelieerde astrologie in haar modernste vorm.

Vooral in de eerste van de twee PAK-ruimtes echter laat de broze dam tussen fotografie en schilder-, annex tekenkunst zich met de ogen betasten. Welk medium ademt op de meest sublieme wijze de realiteit? De realiteit van een “de visu” gekopieerde kop bijvoorbeeld zoals de jonge Luc Leplae hem prachtig met houtskool en balpen stileert. Of de realiteit van de fijnbesnaarde alcoholverslaafde die Gauthier Hubert met penseel en een licht, maar daarom niet al te licht palet uit de fictie van een Frans literatuurdronken schrijver opvist. De grote werken van Frans Gentils, nonchalant opgehangen – waarmee de artiest zich andermaal een studentikoos verzetje permitteert – doen denken aan de schijnbare willekeur van ingestorte zoldergeraamten in oorlogstijd, die met de al dan niet vergeefse hoop op schadevergoeding, een foto gelijk, werden nagetekend en –geschilderd. Max Cahn treft de kijker dan weer met zijn kleur. De veelal kleinschalige werken van deze kunstenaar – olie op papier, olie op canvas of olie op paneel – moeten het vooral van het pigment hebben. Ze maken zich alleen op die wijze schilderkundig relevant, terwijl ze er zich een realiteit mee verwerven, ver van de fotografische werkelijkheid. Voorts komt heel eventjes de “arte povera” van Eva Maria Van Acker letterlijk om de hoek kijken. Een ruw in plaaster gekneed kindertorso troont als een reiger in evenwicht bovenop zijn ene stelt waarmee het met een lange lederen riem losweg is verbonden. Het beeld is sterk, trekt aan. Precies omwille van zijn nadrukkelijk sculpturale lichtheid onderstreept het in deze ruimte, ver van elke werkelijkheid,  zijn authenticiteit, die niet in vraag kan worden gesteld. Een authenticiteitsproblematiek overigens waarvan we zijn uitgegaan en die we tot nog toe voornamelijk plaatsten binnen de context van de subtiliteit en de delicaatheid van een vooral op het erotiserende beeld balancerende vertoning. De videobijdrage van een de anonimiteit opzoekende Nederlandse kunstenares expliciteert dit onderwerp nadrukkelijk. Daartegenover zijn Jeroen Mylle’s polaroids in hun zwartplastieken kadertjes braaf, maar stellen onze basisvraag, die de kern van de plastische authenticiteit van het gebruikte medium beoogt, niet minder scherp. Hoe paradoxaal ook, het is tenslotte de Nederlandse Ingrid Simons die al schilderend “in abstracto” voor een zwart-wit kijk op de landschappelijke werkelijkheid zorgt. Buiten bekleedt het beeld in zwart polyester, gerold uit de hand van Dominiq V.D. wall en teruggetrokken in het groen, zich met de bewakersfunctie bij het eerste paviljoen.

De tweede gebouwhelft, waarvoor Steve Schepens een luguber metalen uithangbord leverde, fungeert zeker niet als achterkamer. Enkele grote namen, woorden die zwaarte en donkerte suggereren, daar waar vederlichtheid en klaarte primeren, troepen er samen en dagen er elkanders kunnen en kunde uit. Rolf Bergmeier, Johan Tahon, Marc Mulders, Tjibbe Hooghiemstra vullen de nauwelijks draaglijke lichtheid van de witgeschilderde muren in samenspel met de reeds genoemde Thom Puckey – andermaal fotografisch stoeiend met de levensgrote vrouw – en Suzanne Somer. De Duitser Rolf Bergmeier en Johan Tahon uiten zich sculpturaal. Marc Mulders en de Fries Tjibbe Hooghiemstra laten het picturale spreken, respectievelijk olie op doek en tekening op papier. Het komt me niet toe de beide duo’s – in de omgeving van een enorm zwart landschap van Jan Deconynck – tegen elkaar uit te spelen. De vederlichtheid, zij het donker, zij het witter dan wit wil ik echter vasthouden. Daarmee wordt voorts ten onrechte voorbijgegaan aan de aandoenlijke rozerode balletschoentjes van de tedere en tegelijk niets ontziende artiest Ronald Zuurmond van wie het PAK in de nabije toekomst een uitgebreider aanbod hoopt te presenteren.

Aan Rolf Bergmeier, dé gast van het gebeuren, kunnen we niet voorbij. Zijn onder andere met zwarte olieverf behandelde takkenbossen, in se niet meer dan veredeld natuurafval, lijken op de uitgekloven nerven van een of ander bergkristal. Het materiaal is licht, ultralicht, maar donker ingekleed. Duidelijk herkenbaar als een Bergmeier werden zij met het instrumentarium van de vakman uiterst precies opgehangen. In de beslotenheid van de ruimte scheppen zij als opengesperde, ontelbare, aaneen gezette vingerkootjes het licht. Dat de objecten – het woord sculptuur lijkt hier overdreven – nooit ultra groot, een enkele keer wel piepklein zich zwevend in de nabijheid van de wand ophouden, laat de zon toe bijkomende en onderhuidse schaduwen te schetsen. Of het resultaat van dit concept in een doorsnee interieur, tenzij speciaal daarvoor gearrangeerd, werkt; hetzij zo’n vormgeving alleen in de museale omgeving tot zijn volle recht komt, is een kwestie waarover kan worden getwist, maar die zeker ter sprake moet komen. Twee bemerkingen trachten dit fenomeen bijkomend te duiden. Ten eerste richt Rolf Bergmeier zich met de al eerder genoemde kleine versie van zijn product tot het bescheiden budget dat in eigen midden een toets van artistieke schoonheid wil aanbrengen. Zonder de kunstenaar onrecht te willen aandoen, meen ik dat zijn voorwerpen die de tuin sieren en met het oog daarop zijn onder handen genomen, precies die zorgvuldige afgemetenheid van de eigen plek, die binnen als een waarmerk geldt, missen. Rolf Bergmeier levert dus niet zomaar een bepaald soort materiaal af, maar roept ook vragen op waaraan het in se conceptuele karakter van zijn werk zeker debet is.

Wie op weg naar de tentoonstellingsgebouwen aan de zijdelings rustende reusachtige mannenkop, ontsproten aan Johan Tahons beeldhouwersbrein en –vuist – brons na plaaster – is voorbijgelopen en er ook de typische langbenige kosmosbestormer met de onvervalste naar de hemelruimte gerichte schelpvormen over het hoofd heeft gezien, kan zich laten vertederen door de androgyne ouderlingenkop waarvan het melkwit, eigen aan de fijn gebakken materie, lijkt na te druppen. Johan Tahon speelde tijdens zijn opgemerkte carrière in op de monumentaliteit en verwierf er zich de naam mee die de zijne is. Hier weet hij met deze ene witte buste van gemiddelde grootte de intimiteit van het zwijgen en de zuivere blik te benaderen.

Marc Mulders zorgt voor een abstract lenteschilderij in de late zomer. De kleurenpartijen, hard en dik dooreen gewreven, zijn ontleend aan een beperkt luchtig palet. In dezelfde geest zou hij de essentie van de drie andere seizoenen van een heel eigen tintenensemble kunnen voorzien; de kern ervan in een typisch kleurig kleed wikkelen. Zo’n onderneming vindt de schilder wellicht te schools en teveel op de herhaling, te weinig op de variatie terug te voeren.

Tenslotte reikt Tjibbe Hooghiemstra’s faam, naar mijn mening, verder dan de kwaliteit van het hier gepresenteerde werk. De ingekleurde tekeningen rijden zich vast in de tegenspraak die tegelijk de termen “al te gemakkelijk” en “al te moeilijk” oproept. Het gaat in dit geval om meer dan het probleem van de techniek geconfronteerd met dat van de thematiek. Of tracht deze Fries hiermee precies te vermijden zich in die ene al te nauwe vouw te laten vangen? Misschien is hij daarmee trouw aan de eigenzinnigheid, zo dit al een noordelijke eigenschap is.

Op die bewuste avond leidde (H)art-redacteur Johan Debruyne, na de korte speeches van PAK-persoonlijkheid Frank Demarest en de Gistelse burgemeester, de tentoonstelling op literaire wijze in. Het scatologisch tintje waarmee hij zijn rede “en relati” , maar op niet mis te verstane wijze begon, verwees naar de benauweniswekkende toestand die ons allen wel eens de billen doet dichtknijpen. Zonder omhaal en met een paar gratis verworven maar bezoedelde poëziebundels, resultaat van een deugddoende straal in een bekrompen hoekje van een of andere gespecialiseerde boekenzaak, als voorbeeld, wees hij de bomen in de tuin als mogelijke uitwijkplaats aan, althans voor de mannen onder de aanwezigen. “Laat ze alstublieft staan en beschouw ze niet als verworven bundels vol gedichten,” verduidelijkte hij laconiek. Langs die omweg betreurde hij het ontbreken van het plekje met het doorkijkhartje in de doorsnee beeldentuin, waarop hij spontaan een  opsomming van dergelijke bezochte plaatsen, in binnen- en buitenland, afleverde. Wat het PAK betreft kan de heer Debruyne gerust zijn: de gastvrouw staat niet alleen mede in voor het onthaal, maar is bovendien gastvrij zoals een bejaard koppel dat een verre terugreis diende aan te vatten kon ondervinden. Over het PAK-aanbod liet de (H)art-medewerker zich eerder karig uit. Het einde van de toesprakenronde werd welluidend onderstreept door een contrabasimprovisatie van beeldend kunstenaar Peter Jacquemyn.

Albert Verleyen, 26 augustus 2012