PAK Gistel - Platform voor Beeldende Kunst Ga naar de inhoud

De zachte pit onder de ruwe bolster — Albert Verleyen

Arpaïs du Bois en Frans Gentils in het PAK in Gistel – Maart/April 2013

Het PAK in Gistel plaatst de kijker, bedoeld of niet, in maart en april 2013 voor een geheel van contrasten. Confronterend blijken ze ontegensprekelijk: de vrouw en de man, de zuivere vergeestelijkte poëzie versus een elementaire vorm van natuurhistorische wetenschap, de kleuren ook, de grijzen van Arpaïs du Bois (°1973), de ‘witte’ portretten tegenover de donkere ruïnes bij Frans Gentils (°1951). De werken die onder deze noemers kunnen worden gevat, doen effectief wat ze moeten doen. Ze slaan aan. Daarvan hoopt deze introductie te getuigen.

First things first: Arpaïs du Bois speelt in beeld en woord met de verbeelding, geënt op de vertakte tijd. De gebeurtenis of het feit, het ding of de vrucht, die haar doorheen het beleven van het dagdagelijkse treffen, zijn die takken. Het beeldend dagboek speelt een belangrijke rol in haar artistiek ontbolsteren. Het duidt erop dat zij het vangnet permanent wil in aanslag houden waarop de feiten of de beelden van het ogenblik licht naverend kunnen worden opgevangen. Haar tekeningen zijn in het creatieproces primordiaal. Ze gaan aan de schilderijen vooraf. Het papier waarvan zij voor de eerste gebruik maakt, is van hetzelfde onveranderlijke, bescheiden formaat. Op die papieren melodie varieert zij eindeloos, maar niet tot vervelens toe. Telkens weer weet zij ook zichzelf, met een uitnodigend gebaar naar de kijker, te prikkelen. De fijnzinnige tekening van één of meerdere figuren op een blad, meestal een object, een uitzonderlijke keer een landschapje (Le côté sombre de la rue), gaat veelal, om niet te zeggen meestal, gepaard met een korte, letterlijk neergepende omschrijving. De kunstenares wil daarmee de toeschouwer begeleiden bij het kijken. Zij is mild voor die kijker. Arpaïs du Bois nodigt de bezoeker altijd vrouwelijk zacht uit te zien en het werkje te doorzien. Door haar bescheiden terughoudendheid overweldigt zij haar partner in dat proces nooit. Wel is de afstand tussen gever en ontvanger gering. De kunstenares, als getekende, grijpt de blinde beschouwer als een kind bij de hand om hem van zijn kwaal te genezen en wil deze laatste zodoende schroomvol in haar wereld inleiden. Die wereld ligt achter de abominabel, maar slechts schijnbaar kinderlijk getekende deur van haar ‘Porte derrière laquelle j’avais espéré me trouver’. Haar tekeningen zijn even zovele deuren en deurtjes, schroevend op piepkleine scharniertjes, waarachter niet minder begeesterende schatten uit haar levensverhaal verborgen liggen, ook al ogen ze op het eerste zicht pover een schraal. En precies door dat hoge ‘arte povera’ gehalte op papier, vertederen de indrukken. Uitlopende zwarte inkt of elementaire kleur, een licht groen of een zacht rood hier of daar niet te na gesproken, zorgen voor een broosheid ongehoord. Dat Arpaïs du Bois recentelijk met de Japanse fotograaf Yamamoto Masao in de artistieke zee ging, maakt duidelijk waar de klepel van de klok hangt. De fijnzinnigheid van de Japanse gebruiken binnen de afgemeten interieurs en de minituintjes – abstractie gemaakt van de gewelddadige context die deze Japanse gewoontes, als keerzijde van de medaille, al evenzeer kenmerken – legt haar allerindividueelste waas niet alleen over de tinten, maar ook over de figuratie van Arpaïs du Bois. Zo kan ‘La tache du grand malade’ ontegensprekelijk ook gezien worden als de weergave van zo’n ommuurde tuin op mensenformaat. Bij Arpaïs du Bois is leven bijna poëzie, zij het voornamelijk romantisch, ondanks het hoog abstractiegehalte van de tekening waartoe die lyriek doorgaans leidt. Een realistisch beeld als ‘Poing levé’ is dan ook eerder uitzonderlijk. ‘2 masques tournés vers l’ouest’ is meer representatief voor wat hier te zien is.

Haar schilderijen hult zij voorts in de abstracte vorm. Alleen de lijst met de titels van die geschilderde werken is beschikbaar in het PAK. Dat niet duidelijk wordt gemaakt wat precies wát is, dient niet onmiddellijk als een obstakel te worden ervaren. De doeken variëren van 140 X 100 cm tot 40 X 50. Ze zijn in drie soorten onder te verdelen. De beide monochroom grijzen van eerder kleine omvang, roepen de algemene sfeer op van het werk van de Antwerpse kunstenares. De grote formaten lijken op een uitvergroot blad papier waarop een tekst is neergeschreven, inclusief enkele doorhalingen. Hiervan is ‘En gardienne’ een voorbeeld. Ten slotte zijn er díe werken die in meerdere of mindere mate een abstract figuur weergeven, zonder tussenkomst van een tekstelement. Alhoewel de schilderijen de nieuwsgierigheid van de kijker aftasten, bereiken ze nooit het effect dat de tekeningen, intiem en klein, blijken wakker te roepen. Daarvoor deinen ze, in tegenstelling tot de tekeningen, te weinig op de golfslag van het ware leven. De tekeningen zijn poëzie, de doeken filosofie. Zeker, het lyrische leven gaat altijd aan het verzamelen van levenswijsheid vooraf. ‘Primum vivere, deinde philosophari,’ luidt het Latijnse gezegde niet voor niets. Het ene is melk en als dusdanig vitaal, het andere zeem en van nature ietwat plakkerig. Ik hou meer van de melk. Arpaïs du Bois van haar kant laat de keuze voor het een of het andere aan de bezoeker over. En voor deze laatste is het antwoord misschien wel een ‘en en’ in plaats van een ‘of of’.

Tegenover dit wereldbeeld dat aan de fijnheid en broosheid is toegewijd, plaatst Frans Gentils een beschouwingswijze die eerder met de onderkant, in al zijn aspecten, heeft te maken. De mannelijke ruwheid kenmerkt hem als eigenschap zoveel beter, dan de vrouwelijke zachtheid, waarvan hierboven sprake is. Het komt er echter op aan de ‘onderkant’, waar het bij hem om gaat, precies te omschrijven. Op de eerste plaats betreft het daarbij de pure aarde die, bij de uitbreiding van de Antwerpse haven in de jaren vijftig,  in zijn kinderlijke habitat werd opgespoten. De expanderende haven vertegenwoordigt op zich reeds de onmiddellijk invoelbare, ingrijpende evolutie – een centraal gegeven bij Frans Gentils - van dat heel particuliere stukje planeet dat het zijne is. Die ‘evolutie’ draagt Frans Gentils sindsdien mee als een artistieke talisman. Hij vult het begrip vooreerst archeologisch in – cfr. de opgespoten skeletresten – en bezoekt als dusdanig in dit verband geregeld een zo gedenkwaardig instituut als het Brusselse Natuurhistorisch Museum. Ook afgetakelde industriële sites, bij voorkeur in het havengebied, en afvalstorten als exponenten van het verval en dus per definitie evolutie neemt hij nadrukkelijk binnen zijn schilderkundig blikveld op. Vooral de vormgelijkheid tussen grote wervels enerzijds en het op het eerste zicht chaotische restafval van de andere kant, boeien hem als kunstenaar nog steeds. Regressief verval van de opgaande ontwikkeling in de natuur en de neerwaartse beweging van ondergang en cultuur vormen twee facetten van hetzelfde spectrum.

Laten we ons overzicht van wat Frans Gentils in het PAK ten aanschouwe brengt echter beginnen met de verhaallijn die de kunstenaar via zijn eigengereide totaalproject (cfr.  HYPERLINK "http://www.kunstonline.info" www.kunstonline.info) rond het Heer Halewyn-gedicht picturaal tracht vorm te geven. De lyrische middeleeuwse tekst doet het verhaal van een zelfzekere maagd, die tegen het advies van haar omgeving in, in het bos de maagdenmoordenaar Heer Halewyn gaat opzoeken en hem, vooraleer hij zich aan haar kan vergrijpen, de kop afhakt. Frans Gentils laat zijn deel van de versie beginnen op het ogenblik dat het hoofd van de moordenaar als een Johannes de Doperkop op een dienblad aan de huisgenoten van de dappere, maar wrede maagd wordt aangeboden. Op 167 Villeroy en Boch borden tekent hij met houtskool even zovele invalshoeken van het  hoofd van de aan de dood geofferde moordenaar. Enkele van die aan acht jaar fulltime arbeid ontsproten tekeningen worden in het PAK gepresenteerd. Ze laten Frans Gentils toe zijn kundigheid als portrettist, in dit geval van de tekenaar,  te demonstreren.

Maar ook als schilder bespeelt hij kundig het thema van het portret: hetzij zuiver realistisch, hetzij, zoals in deze tentoonstelling, eerder symbolisch. Zowel vormelijk als  inhoudelijk weet Frans Gentils duidelijke en onvervalste eigen accenten te leggen. Formeel is de achtergrond van het picturale beeld in dit geval doorgaans wit en bleek. Deze witte tint loopt over in de drager van het doek die soms grillige vormen aanneemt, maar ook tot zijn recht komt in de dikke naden tussen doek en frame die met gips zijn gedicht. De getoonde figuren zelf laten zich lezen, zoals de kunstenaar het wil, door toedoen van de titellijst die aansluit bij de genummerde doeken in olieverf of pastel. De gepresenteerde gestalten hebben realistische trekken. De gezichten, als zetel van de persoonlijkheid, vloeien harmonieus over in grote, ruwe botten en skeletvormen die in bepaalde werken ook verder worden uitgewerkt. Steeds verduidelijken de veelvuldig gebruikte wervels dat de mens als biologisch wezen in een onafgebroken evolutionaire beweging is. Daarvan zijn ‘Portret’, gelieerd aan ‘Cocon gezicht’ twee duidelijke voorbeelden. De afgrijselijke, roze, skeletachtige hoofdfiguur van ‘Kiss’ dan weer, lijkt de kijker met breed open mond in haar kus op te zuigen. ‘Kiss’ vindt zijn pendant in ‘Kunstenares in hurkstand’, getoond in de woonkamer, waarbij de afgebeelde artieste in kwestie, helemaal in kurkentrekkershouding, een uitgerekte wervel als masker over het hoofd gesjord kreeg. Het langwerpige en zuiver rechthoekige ‘Twee broers’ roept door het neergeschreven, zich wederzijds weerspiegelende woord ‘hate’ dan weer de gespannen verhouding wakker tussen de beide helften van de eeneiige tweeling die, figuurlijk, op elkanders biologische lip leven. De kunstenaar geeft daarmee een stuk van zijn autobiografische zelf bloot. De ‘Nachtwacht’, waarin de skeletachtige vormen een studie rondom Rembrandt van Rijns meesterwerk naar de achtergrond verdringen, appelleert aan de kunsthistorische invalshoek. Hier speelt het begrip evolutie op meerdere vlakken. ‘Man-rommel’ laat een naakte, zittende man  zien, middenin een ruimte waar de rommel pregnant aanwezig is. Daarmee kan een verband worden gelegd met twee apart te behandelen doeken waarop het thema van de ruïne, die andere vorm van evolutie, al schilderend wordt bespeeld.

Om een idee te krijgen van de manier waarop de kunstenaar zich voor zijn ruïneschilderijen laat inspireren, kan worden verwezen naar de fotoreeks achteraan in het kunstboek ‘Frans Gentils: a visual life story (in transformation)’ – uitgegeven door Möbius Publications in samenwerking met het PAK – die een mozaïek van esthetisch aandoende schroothoopprints laat zien. Op beide ruïnedoeken gaat het – in tegenstelling tot de fotoreeks en ‘Man-rommel’ – veeleer om de aan de menselijke tussenkomst ontloken ruimte zelf die aan de kanker des tijds onderhevig is. In ‘Fabriekszicht’ lijken twee mijnschachten voor ons uit te lopen, terwijl door de zoldering een paar grote brokstukken, in steen of anderszins, komen donderen. Hier wordt duidelijk ingegaan op het momentum van de vernietiging an sich. Er wordt een streep getrokken. That was it. Hier eindigt een fase. Een nieuwe vorm van verbrokkeling zal het eindresultaat zijn. Maar hoe die toestand er daadwerkelijk zal uitzien laat de kunstschilder aan de verbeelding van de toeschouwer over. Bij ‘3 zuilen’ is het beeld meer gestold. De beweging en het dynamische zijn er ver te zoeken. De geelbruine tinten zijn warm. Het doek nodigt als het ware uit om als decor voor één of andere sprookjesachtige animatiefilm te worden gebruikt. Je neigt ernaar weg te dromen en allerlei scenario’s te ontwikkelen. De verstilling roept op tot contemplatie, niet zozeer rondom het onderwerp van de vernieling, vernietiging en evolutie, maar eerder in de zin van de met fantasie te vullen ruimte als rustplaats van de eindigheid. Misschien is het beeld van de catacombe in dit laatste geval nog het meest relevant. Daarmee kan meteen worden verwezen naar de woorden ‘schoonheid en mystiek’ die Frans Gentils zelf, in die eigenste termen, tracht te verzoenen met niet alleen de idee, maar vooral de werkelijkheid van de evolutie vanuit de prehistorie, over het heden naar de toekomst van de mens als natuur- en cultuurwezen.

Arpaïs du Bois en Frans Gentils behoren tot uiteenlopende takken van de picturale benadering. De ene toont de lyrisch-poëtische kant van het dagelijkse leven. De ander laat zich inspireren door de wetenschap die de natuurhistorie is. Arpaïs du Bois vangt de tijd als een dauwdruppel, Frans Gentils beschikt over de maatbeker van de evolutie en de duur. Beiden laten de hoop openbloeien. De taal van de tekstflard enerzijds en het middeleeuwse verhaal van de andere kant, maken dit schilderkundig werk ook een beetje literair. En is de taal niet het wonder waar de evolutie uiteindelijk, maar voorlopig is in uitgemond?

 

Albert Verleyen, 11 maart 2013