PAK Gistel - Platform voor Beeldende Kunst Ga naar de inhoud

Bij de geboorte van een kunstenplek — Johan Debruyne

Mijn huis staat in de rij. Langs een drukke, drukke laan. Net buiten de Brugse stadspoorten. Er ligt een relatief kleine tuin achter. In functie van mijn bleekgroene vingers een meer dan behoorlijke rechthoek. Maar als ik zie wat mijn geboortestad aan tuinen rijk is – en dan heb ik het niet eens over de groene enclaves waarin een handvol geestelijken het privilege geniet om zich te bezinnen – dan moet ik het bijwoord “relatief” schrappen.

In de jaren 70-80, toen in zowat elk dorp een gedegen beeldhouwer woonde, verwierf ik 2 abstracte sculpturen, die – zo blijkt vandaag – de tijd hebben getrotseerd. Wie mijn woonkamer de rug toekeert en mijn kleine tuin aan de rand van de aloude stede aanschouwt, neemt gauw het woord “mooi” in de mond. Niets zeggen valt moeilijk.

Zo veel jaar later aai ik nog wel eens een marmeren glooiing. En aan de keramiek, door de ondertussen overleden schepper dermate kundig bewerkt dat de klei al minstens 30 winters heelhuids is doorgekomen, wil ik al eens voelen. Ik leg er en passant eens mijn hand op. Als de zon ook maar even  doorheen het wolkendek geraakt, willen vooral duiven er zich graag aan verwarmen. Schijten doen ze niet. Niet meteen uit respect voor de kunst, denk ik, maar uit alertheid voor mijn katers en hun vele soortgenoten in de buurt.

Natuur en cultuur. Natuur en beeldende kunst. Het heeft me altijd gepassioneerd. Mijn bescheiden privaat beeldend tuinarsenaal kreeg vorm in de diepe voren, getrokken door kunstenaars als Octaaf Landuyt en Henry Moore.

Of ik liever een “Tahon” zou hebben? Johan Tahon is een van mijn favoriete beeldhouwers. Maar wat hij creëert wordt door lieden met meer vermogen verworven. “Gerecupereerd” . Het is van alle tijden. De waarheid mag hier alsnog gezegd, hoop ik. In Rusland bijvoorbeeld ligt dat moeilijker. En of ik het kan appreciëren dat in het Citadelpark (Track/Gent) kinderen turnles krijgen te midden de grafstenen? Leren koprollen tussen de rijen zerken waarmee Copers de musea ten grave heeft gedragen? Eigenlijk niet. Wij dansen niet om de dood. Ook niet van musea. Dat kinderen in Nieuwpoort op een reuzenschildpad klauteren deert me dan weer niet. Utopia blijft een verlokking en wie zich god waant, moet niet flauw doen om wat kindervoetjes…

Wat later brak een periode aan dat tuinen en parken als fora voor kunsten blijkbaar hadden afgedaan. Park Hap (Brussel), Park Sebrechts (Brugge) en Tuin de Brabandere (Tielt) waren vertrouwde locaties waar je des zomers als kunstenliefhebber plots niet meer heen kon. In het Nederlandse Sonsbeek duldde het groen geen concurrentie meer en in Antwerpen lag Midddelheim op apegapen. En toen Michel De Wilde, toen een erg pril curator, me diets maakte dat de combinatie van groen en beeldende kunst zijn beste tijd had gehad, nam ik dat voor waarheid aan. Mijn naïveteit gaat er nooit helemaal uit! De jonge kerel had langer over kunsten gedaan dan ik en sprak eigenlijk een soort wartaal die behoorlijk klonk. Als je lang over kunsten hebt gedaan, dan verdraagt het wereldje dat je onzin uitkraamt. Dan worden je dikke of net heel dunne boeken gekocht of mag je curator spelen. Sommigen wanen zich dan zelf bijwijlen kunstenaar. “Als ik kon toveren!” zingt Van Veen. Wel, later zou de jonge curator een heel bos be-toveren! Proberen, atlhans.

Ik was blij toen ik in Kassel (D) vaststelde dat het immense park bij de Orangerie nog maar eens deel uitmaakte van de documenta, dat Middelheim een nieuw elan kreeg en dat ik in 1996 in New York de bus nam en me zo’n 100 kilometer noordwaarts begaf. De Hudson-rivier vergezelde ons de hele kronkelweg! Een kenner had me voor de afreis de naam van een “center” én een telefoonnummer gegeven. In diverse New Yorkse musea had ik al naar het immense kunstenpark gepolst. Maar toen ze zelfs in het MOMA de schouders ophaalden, geraakte ik even in paniek. Op mijn hotelkamer draaide ik het nummer. Een dame aan de andere kant van de lijn. Ze lachte ondeugend: “Storm King Art Center”, sir? That’s the best kept secret in new York!”

Ik zou er uren wandelen. Tientallen jaren hadden landschapsarchitecten en beeldende kunstenaars er de handen er in elkaar gelagen. Ik liep langs, onder en op werken van Nevelson, Di Suvero, Moore, Calder, Serra en vele, vele anderen.

Ik moest eraan denken toen vorige week Frank Demarest, geestelijke vader van het PAK (Platform voor Actuele Kunsten: 2 hectare groen, met vijver, brugje, 2 exporuimten…) in Gistel, de pers had samengeroepen: Dullaertweg. Net buiten het centrum. Okay. Of zo. Dààr afslaan. Er was geen kat. Wel een rist verdomd knappe, eigenzinnige, subtiele “Tahons”, 3 “Gentils”, Jan Deconyncks anonieme wezens waren verdwaald in een eindeloze donkerte en er was verrassend werk van jonge kunstenaars.
Thom Puckey was er in levende lijve.

Pers en beeldende kunst? Al zeker geen vanzelfsprekendheid in ons gewest, laat staan in die uithoek. Tenzij het zou gaan om blote madammen op een rotonde of een reeks immense naakte bronzen vrouwen wier pose aan porno appelleert. Ik suggereer maar.

Het PAK is een BEAUTY! Een zeldzaamheid.

29/09/2012
bron: Johan Debruyne — www.johandebruyne.eu