PAK Gistel - Platform voor Beeldende Kunst Ga naar de inhoud

A DIALOGUE — Johan Debruyne

“Dialoog” - zo staat het in “de” Van Dale - betekent: samenspraak. Of 2-spraak. Zijn er meer spelers in het geding, kom je bij het lemma “polyloog”. Voor zover de meesten hun mond (durven) roeren. Op “Skulpture Münster (10-jarige tentoonstelling in het Duitse Münster) 2007” heb ik geamuseerd gekeken naar een heel bizarre polyloog. De protagonisten waren… wereldvermaarde sculpturen. De cast bestond onder andere uit een Moore en een Giacometti.  Terecht was een mooi theater voor ze gereserveerd. Maar wat volgde was een steriel toneelspel, ontsproten aan de fantasie van het Scandinavisch duo Elmgreem & Dagset. Het “stuk” heette “Drama Queens”. Wat het ondermeer duidelijk maakte, was dat sculpturen een andere taal hanteren. Dovemansgesprekken… Die bestaan ook. Ik vermoed zelfs dat ze hoogdagen beleven! Einzelgängers voeren dan weer bij voorkeur monologen. Het liefst nog in zichzelf. In tijden dat politieke “debatten” de meesten onder ons de strot uitkomen, hunker ik naar iemand als Julien Schoenaerts. De vader van. De man was ten prooi aan bipolaire stemmingen, was zo eigenzinnig geworden, zo opgesloten in zichzelf, zijn verleden, zijn rollen en zijn kennis, kwam bijwijlen zo onvoorspelbaar uit de hoek dat niemand het nog aandurfde met hem de bühne te delen.

Hij speelde op de duur noodgedwongen niets dan monologen. Maar wat een vakmanschap! Wanneer een 6-tal beeldende kunstenaars onder de noemer “A Dialogue” ressorteren, kan zich een probleem stellen. Neem nu dat er een enkele beeldende Schoenaerts tussen zit. Iemand, wiens werk, al het andere “wegspeelt”. Overvleugelt. Het probleem is quasi onmogelijk. Mede omdat ik weet dat in het PAK vaak het hoofd wordt gebroken. Frank ook al vaak met de handen door het haar weten wrijven. Ondermeer wanneer het over kwaliteit gaat.

 

Dat twee oeuvres een dialoog voeren, daar kunnen mijn observatievermogen en fantasie moeiteloos bij. De dingen spreken niet echt. Hoewel, er zijn kunstenaars die met taal werken. Ik denk Lawrence Weiner. Maar als ze niet de spreektaal gebruiken die wij hanteren, en dat is doorgaans zo, dan hebben we gewoon wat meer verbeelding nodig. Of je moet met het werk van Tony Oursler te maken hebben. Die kreeg zelfs de dingen daadwerkelijk aan de praat.

Vreemd lijkt dat vooral “stille” werken een dialoog kunnen aangaan. Stille werken kunnen heel hard op je inpraten. Een donker werk kan meer licht geven dan een werk dat klatert van licht en kleur. Geen zicht wellicht, maar in-zicht. Ik heb dat vaak met donkere werken.

Hoewel steevast in het wit uitgedost, brengt het me als vanzelf bij mijn vader. Vroeg gestorven. Voor ik 17 mocht worden en af en toe begon na te denken over de dingen. Laatbloeier… Ik zal al wel eens gepiekerd hebben of een dipje hebben gekend. Wanneer het uit was met een lief, bijvoorbeeld. Maar denken? Nadenken? Over het leven? Over de dood? Deed je dat in die tijd op 17? Het zal wel. Maar deze naïeve jongen niet. Of ik bang was? Of ik bang ben? Met regelmaat. Syrië. Afghanistan. “De Vliegeraar”… Zoiets nestelt zich onder je huid. Ook onder een heel pril vel. Dat krijg je nooit weg. Dat woekert.

Bang ben ik geweest. Zeker. Van de dood. Niet van die van mij. Ik was doorgaans roekeloos. Het spel en het spelen droegen daartoe bij. Het dromen. Weg van de realiteit. Een vlucht. Ik vreesde wel dat mijn ouders te vroeg zouden sterven. Vader was 50, moeder 45. Pas toen werd ik geboren. Een accident de parcours? Ik vrees het. Met vader praatte ik nooit. Met moeder wel. Enfin, had ik veel contact. Ik hing aan haar schort. Dat droegen huisvrouwen toen. Uit nylon. Maar gesprekken? Dialogen? Nee. Al zeker niet diepgaand. Voor en na haar dood heb ik haar op een piëdestal gezet. Ze staat er nog. Kijk, ik ben bij sculpturen aanbeland: mijn moeder. Warmte gaf ze niet. Met 7 kinderen is daar geen tijd voor. Maar ze wàs warmte. Ik was graag in buurt. Ze was een baken dat er altijd was. En er was een band. Ze zong in de kerk. Dat deed ik ook. En de kerk was toen kunst en niets dan weldadig verpakte elegantie.

Ik zie oksaals, orgels en glasramen. En het zingen veegde, voor zo ver dat nog nodig was, de spons over slechte schoolresultaten. Over ontelbare strafstudies. Als ze eens los kwam uit de omknelling van het groot gezin en het labeur van elke dag, dan was er een dagreis gepland. Groepsreis. Als ik mee mocht vergaapte ik me aan veroudering. Ik keek op nekhaar. Naar huid die rimpelt. Een slopend proces. Het boeit me nog. Je leert door te kijken. Door te luisteren. Ook van kakofonies. Hoe mensen door elkaar heen praten. Vooral naar zichzelf luisteren. Wie het hardst of het vlotst praatte, won. Het zou van alle tijden blijken. Leerde ik later. Dan liever kunstwerken, dingen waarmee je een band hebt. Je brengt ze dicht bij elkaar. Moet het niet wat verder? Er is een soort dialoog. Of past monoloog hier beter? Je combineert. Haalt uit elkaar. Je kijkt en ziet. Of zij doen je dingen zien. En voelen. Ze voeden je fantasie. Ook het donkerste zwart.

Een kunstenaar is voortdurend met zichzelf in dialoog. Misschien en wellicht ook met de wereld. De wereld van de beeldende kunst graaft vaak diep. Heeft een eigen taal. Kan ik onbevangen naar het werk van Thom Puckey kijken? Hoe zit het met mijn schaamte? Wil ik liever alleen kijken? Is er pas dan dialoog? Of wordt het verhaal? Het werk troebleert. Er zijn het materiaal, het metier en de pure schoonheid die aan de klassieke kunstwereld appelleren. Er is de onbeschaamde naaktheid van een jonge meid. Wat ze uitbeeldt. Tegenspraak? Of niet? Puckeys beelden overdonderen je wel. De setting. De attributen. Het roept vragen op. Nogal wat werelden lopen mekaar in dit ene beeld voor de voeten. Beelden zijn meertalig. Buiten zag ik stenen (keramiek) tassen en bizarre architecturen. Ik wilde meteen op reis. Maar Anama Ponce Vasquez had een weergaloze vloot gecreëerd. Het zijn schepen, verdomme! Varende helmen. En die moéten communiceren met elkaar. De zee is immers te vol. Alles is te vol.

“A Dialogue”… Er is donker. Er is licht. Duister dat je dichter bij het licht brengt. En op weg naar die plek praat je in jezelf. En wie bang is moet lawaai maken. Hebben soldaten me geleerd. In het PAK heb je binnen en buiten. Is daartussen dialoog? En tussen de talloze technieken, de manieren om gevoelens te verbeelden, een mening te verkondigen, schoonheid te brengen? Of de schoonheid van de lelijkheid? Hoe zit het met de dialoog binnen het kunstwerk zelf? Wie geeft zich bloot in breekbaarheid? En wie bouwt een pantser om zich heen? Noodzaak? Oordeel niet te snel. Een kunstenaar, denk ik, kiest zelden. Hij doet wat hij moet.

21/10/2012
bron: Johan Debruyne — www.johandebruyne.eu